NL #2 NOV 2010

Orgue Electronique

Orgue Electronique

Deze pagina heeft Flash en javascript nodig.

Download gratis de nieuwste Flash Player !

Download Adobe Flash Player

SYNTHESIZERMANIE EN OUDE HOUSE SOUNDS

EXTRA INFO

Op het afgelopen Amsterdam Dance Event gaf hij met zijn muzikale maatje Legowelt nog een intense liveset weg, momenteel is Orgue Electronique, aka Brian Chinetti, bezig met de laatste opnames voor zijn nieuwe album. APE Magazine zocht hem op in zijn beruchte Sternstudio.

Het is al ruim een decennium geleden dat zijn internationale culthit The Eye That Never Sleeps uitkwam op het Haagse label Bunker. Sindsdien is hij met zijn live-optredens en dj-sets op diverse podia te vinden in binnen- en buitenland en reisde hij met verschillende tours door zowel de VS als Japan. Op bezoek in zijn Sternstudio gaan we op zoek naar de kracht achter tracks als The Garden en Texas, Brooklyn & Heaven.

In de rustige omgeving van een typische jaren '70 buurt, aan de rand van een buitenwijk van het Brabantse Den Bosch, bevindt zich zijn thuisbasis. Tussen de hoeveelheid aan bandrecorders, oude synthesizers, drumcomputers en onder de indruk van zijn 'wall of sound' treffen we Chinetti.

Wanneer ontwikkelde je interesse voor elektronische muziek?

“Mijn ouders hadden wat platen van onder andere Kraftwerk, Jean Michel Jarre en Klaus Schulze, die vooral door mijn moeder werden afgespeeld, terwijl ik braaf met mijn speelgoed in de weer was. Daarnaast heb ik een vier jaar oudere broer die ervoor zorgde dat ik al op jonge leeftijd in aanraking kwam met bijvoorbeeld oude electro-hiphop. Hij luisterde naar obscure Hollandse radiozenders. Ik volgde hem daarin waardoor ik geïntroduceerd werd met drumcomputer- en synthesizer-muziek als Mantronix en het Detroitse Model 500. Maar ook met dingen als Depeche Mode, Yazoo en Eurythmics. Opgroeiend in de jaren '80 was synthesizer-muziek de muziek van het 'nieuwe'. Het was overal. Het zat in TV-themes, rap en popmuziek. Ik hield ook erg van science fiction en TV-programma's over de ruimte en de moderne wetenschap. Misschien kwam dit wel meer door de muziek die hierin verwerkt werd, dan de onderwerpen die ze aansneden.”

Jouw eigen muziek werd vaak betiteld als staccato elektronische minimal. Hoe zou je zelf je muziek beschrijven?

"Haha..ja dat klopt. Staccato is een term uit de muziek waarbij de noten los van elkaar gespeeld worden. Van elke noot wordt de lengte korter en is er een korte stilte hoorbaar tussen elke twee noten. Hierbij blijft het tempo van het muziekstuk gelijk. Maar tegenwoordig is het house wat ik maak. Ouwe house, met die ouwe house sound. In de afgelopen jaren heb ik veel ervaring opgedaan en ben ik mijn apparatuur beter gaan leren kennen en beheersen. Ik ben beter geworden in wat ik doe en ben hierdoor toch minder streberig geworden. Ik maak vooral wat ik zelf leuk vind.”

Je studio staat vol met analoge instrumenten en je hebt een respectabele collectie aan hardware staan. Welke voorwaarden stel jij aan de apparatuur die je aanschaft c.q. gebruikt en welke van deze instrumenten neem je mee naar je live-optredens?

“Ik hou vooral van oudere muziek, het heeft toch meer charme ofzo en oudere apparatuur geeft het geluid die kleur. Misschien is het wel de nostalgie. Het is het geluid dat gebruikt werd in de dingen waar ik van hield en waarvoor ik me interesseerde. Het hoeft van mij niet persé analoog te zijn, ik kan ook van digitale synthesizer-geluiden houden, zoals bijvoorbeeld uit mijn Casio komt. Hier maak ik ook gebruik van. Maar het moet wel bij elkaar passen. Ik vind het ook leuk om goedkoop oudere synthesizers en drumcomputers te kopen. Als het kan koop ik ook tweede exemplaren, maar dan veelal voor de (reserve)onderdelen. Je leert de apparatuur kennen en het is ook fijn om zelf onderhoud en reparaties te kunnen doen en daar niet steeds voor naar iemand op zoek te moeten. Naar een live-optreden ga ik meestal bepakt met RS700, Nord Lead, TR 707, TR 727, CZ en eventueel de Juno 106, maar alleen als dat niet onhandig is. Het is niet altijd even makkelijk om alles mee te slepen, zeker niet naar het buitenland. En ik denk dat zes op de tien boekingen toch wel over de grens is.”

Je deed tours in zowel de VS als Japan. Hoe vond je het om een tour te doen buiten Europa?

“In Europa zijn we wat verwend met elektronische muziek. En er gewend aan geraakt. Het zit inmiddels ingebakken in de cultuur. Je kan bijna wel spreken van een overkill. In Amerika is er een scene die erg enthousiast is en het helemaal geweldig vindt. Voor hun is het iets wat ergens anders vandaan komt, iets Europees. En toch zijn wij weer geïnspireerd door Amerikanen. Het enige elektronische muziekgeluid dat ooit echt op Nederlandse bodem is ontstaan was de gabber. Het zijn ook hele aardige mensen, ik kom er graag. Waar het gaat om de invloed op de elektronische muziekscene mogen ze zichzelf misschien wel wat meer waarderen. Wat Japan betreft is het weer helemaal anders. Lastig ze te begrijpen. Het beweegt niet tot nauwelijks op de dansvloer en na afloop krijg je toch applaus. Als ze nou eens wegliepen om een biertje te gaan halen ofzo, dan had je nog iets van een reactie. En nagenoeg niemand die een woord Engels spreekt. Je bent toch blij als je iemand tegenkomt die het Engels wel enigszins beheerst. Ken je de film Lost in Translation? Nou, precies zo.”

TXT: Raphus Cucullatus — IMGS: Orgue Electronique Archive & APE Archive



Online magazine door BlueBerry